Evolutie van de industrie

Schapenteelt

De Geelse economie is vanaf het ontstaan van de gemeente, en eeuwenlang, in grote mate bepaald door de landbouw en de veeteelt. Voor zover het kan worden nagegaan, was de schapenteelt de bijzonderste bron van inkomsten voor de Gelenaars. Dat is te verklaren door de hier aanwezige zandachtige gronden die slechts in zeer beperkte mate geschikt waren gemaakt voor de landbouw. De vage gronden, vooral heide, die een groot deel van de Geelse bodem bestreken, waren zeer aangewezen voor de schapenteelt. Rond 1575 telde men hier nog 221 schapenkuddes. Die brachten ‘het principaalste profijt binnen in de Vrijheid’, zoals het geschreven staat in een document van die tijd. Daarmee was vooral de wol bedoeld. Dat vertaalde zich in een lakenindustrie en lakenhandel die in de vijftiende eeuw rijkelijk floreerden in onze gemeente, maar enkele eeuwen later toch ten gronde gingen. In 1731, bijvoorbeeld, graasden er nog slechts 513 schapen op het uitgestrekte Geelse grondgebied, twintig jaar daarna was het aantal gedaald tot 393. In die aantallen, die uit de belastingsrollen zijn gehaald, zijn de ‘zwarte schapen’ uiteraard niet meegeteld.

Textielindustrie

Ook vlas werd hier verbouwd. Die vlasteelt deed in de veertiende-vijftiende eeuw een intensieve linnenproductie en linnenhandel ontstaan. De Halle op de markt, die op het einde van de veertiende eeuw of in het begin van de vijftiende werd gebouwd om er de geproduceerde stoffen te verhandelen, getuigt van het succes van de Geelse linnen- en lakenindustrie in die vervlogen tijden.

De Halle onderging in de loop van haar bestaan verscheidene transformaties en restauraties. Vanaf de bouw was een gedeelte van het pand voorbehouden aan het gemeentebestuur. Later was het helemaal als gemeentehuis of als stadhuis in gebruik. In 2006 kwam er een einde aan een allesomvattende meerjarige restauratie van dit historische pand. Het doet nu dienst als tentoonstellingsruimte.

Neergang bedrijvigheden

Helaas richtte de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) grote ravages aan in de hele Geelse economie. Hij wordt als de grote schuldige bestempeld voor de neergang van de hogervermelde eens zo bloeiende bedrijvigheden. In 1755 was nog slechts een goede zeven procent van de Geelse beroepsbevolking in de textielindustrie werkzaam en het ging altijd maar verder bergaf. Tijdens het Franse tijdperk startte Gelenaar P.J. Biddeloo toch nog een lakenfabriek op. Tientallen arbeiders vonden er een broodwinning. Helaas, bij gebrek aan afzetmogelijkheden, moesten de getouwen na enkele jaren worden stilgelegd.

Graanteelt

Na het verdwijnen van de grote kudden schapen trad de graanteelt als belangrijkste component van de Geelse landbouw op de voorgrond. Rogge, haver, gerst en boekweit groeiden relatief goed op de zanderige Kempische bodem.

Rogge was veruit het hoofdproduct. Het was een graansoort die niet alleen de basisvoeding verschafte aan de inwoners, maar geregeld ook overschotten opleverde die op de graanmarkten door handelaars werden opgekocht. Van 1653 tot 1863 bepaalden de schepenen jaarlijks het spijker (de prijs) voor het koren, wat het belang van de roggeteelt in de Geelse samenleving onderstreept. In een overzicht van hun economisch bestel dat de Geelse verantwoordelijken op 5 fructidor van het jaar VII (22 augustus 1799) naar de overheid stuurden, taxeerden ze de opbrengst van rogge in Geel (Bel, Millegem, Zammel en Oosterlo niet meegeteld) op 50 000 kwintalen (omgerekend 2 350 ton), die van haver op 26 000 kwintalen (1 225 ton), die van gerst op 4 000 kwintalen (190 ton) en tarwe op 300 kwintalen (14 ton).

In de rubriek ‘Industrie et commerce’ van dezelfde enquête werd ingevuld: ‘Manufactures: néant; l’industrie est le commerce des grains.’ Al was dat verslag misschien maar nattevingerwerk, het maakte in elk geval duidelijk dat alle heil van de Geelse economie in de landbouw was gelegen.

Boter

Een goede bron van inkomsten voor de Geelse boeren was ook de productie van boter. Al voor de achttiende eeuw reden Geelse boterkremers met hun karren tot in Brussel en Antwerpen om daar hun waar te leveren. Een Geelse boter-, eier- en kiekenmarkt werd nog in 1921 opnieuw opgestart. Ze hield stand tot jaren na de Tweede Wereldoorlog.

Crisis

De landbouwcrisis van het laatste kwart van de negentiende eeuw bezorgde ook de Geelse boeren een moeilijke tijd, maar ze herpakten zich zodat Geel in de eerste helft van de twintigste eeuw nog altijd in hoge mate als een landbouwgemeente werd aangezien. Na de Tweede Wereldoorlog moest men echter vaststellen dat de Zuiderkempen, en Geel in het bijzonder, economisch ver achterop was geraakt. Het probleem van de werkloosheid stelde zich scherp. De streek werd tot ontwikkelingsgebied verklaard. Als gevolg daarvan kwam tussen de Boudewijnsnelweg en het Albertkanaal in de jaren zestig-zeventig het grote industriegebied Geel-Punt tot stand. Ook de conversie van de landbouw liet niet op zich wachten. Op het zogenaamde Kempisch Domein, een gebied van 482 ha waarvan 300 op Geels grondgebied, werden moderne boerderijen neergepoot waar de veeteelt primeerde. Hetzelfde gebeurde in de zestiger jaren in het drooggelegde moerasgebied van de vallei van de Kleine Nete.

Kostgeld

Een bijzonder facet van het economisch beeld van Geel in het verleden verdient enige aandacht, met name de gezinsverpleging van geesteszieken. Vooral het ‘kostgeld’ dat van buiten de gemeente door andere steden, gemeenten en particulieren hier werd ingebracht om de zieken te verzorgen, verschafte vele Gelenaars een aanvulling op hun normale inkomsten. Bovendien was het meegenomen dat zieken die bij landbouwers werden uitbesteed, daar konden meehelpen in het bedrijf. Beide partijen werden er beter van, de ene materieel, de andere geestelijk.

Landbouw vandaag

Vandaag is het landbouwareaal in Geel nog altijd uitgestrekt en de landbouw is nog steeds van grote betekenis, al is het percentage landbouwers in het totaal van de beroepsbevolking sterk teruggelopen. Daartegenover heeft de industrialisatie zich de laatste decennia met kracht doorgezet en ook de handels- en dienstensector, waarvan het modernistische Technologiehuis van de Kempen een treffende exponent is, zijn hier nu behoorlijk ontwikkeld. Het economisch beeld van de vroegere agrarische en rurale gemeente Geel is daarmee gevoelig hertekend.

Centrumgemeente

Geel heeft ook altijd de functie van centrum uitgeoefend voor de omgeving. Zo vonden notarissen, advocaten, dokters, veeartsen en andere vrije beroepen evenals allerlei specifieke ambachtslui en neringdoeners in het verleden hun cliënteel tot buiten de grenzen van de gemeente. Ook is er hier altijd een concentratie van scholen geweest. Vandaag is de centrumfunctie van Geel nog verder doorgedreven.