Het Land van Geel

Het land van Geel

De eerste geschreven teksten met historische gegevens over Geel dateren uit de twaalfde eeuw. Zo is er een nog bestaande oorkonde uit 1155 waarin vermeld staat dat Wouter I Berthout, de plaatselijke machthebber, in Geel gelegen gronden wegschonk aan de abdij van Grimbergen.


Het Land van Geel, of de heerlijkheid Geel, bestond toen niet alleen uit het huidige Geel maar ook uit de dorpen Retie, Eindhout, Veerle, Varendonk, Zoerle-Parwijs, Oevel, Echelpoel (bij Bouwel), Millegem, Vorselaar en Tielen. Die dorpen zouden in de loop der eeuwen door huwelijken en successies die in de families van de feodale bezitters van het grondgebied plaatshadden, van Geel worden losgekoppeld en verder hun eigen geschiedenis maken.

Eigenaars

De eerste bekende eigenaars van de heerlijkheid Geel waren de Grimbergens. Hoe en wanneer die precies in het bezit waren gekomen van het Land van Geel is nog altijd in de nevelen van de geschiedenis verborgen. Door het huwelijk van Wouter I Berthout met Margareta van Grimbergen omstreeks het midden van de twaalfde eeuw kwam Geel in het bezit van de Berthouts. De Berthouts waren een zeer machtige familie, die heerste over uitgestrekte gebieden in het hertogdom Brabant. Een van hen bouwde rond 1240 een burcht in Oosterlo. In een oorkonde werd hij dan ook geïdentificeerd als Henricus van Oosterlo. Vanaf het bewind van de Berthouts is de geschiedenis van Geel relatief goed te traceren.

De heerlijkheid Geel is achtereenvolgens eigendom geweest van de families Grimbergen, Berthout, van Hoorne, van Merode, van Wittem-van den Berg, van Lorreinen en de Rohan. Een telg van die laatste nobele Franse stam, Armande-Victoire-Josephine de Rohan, prinses van Guémené en op de koop toe vrouwe van Geel, beleefde het einde van het ancien régime en moest met spijt toezien hoe alle heerlijkheden werden afgeschaft.

Naar 'De heer en zijn drossaard'